Naar inhoud

Veldwetboek

Het Veldwetboek is een Belgische wet die een aantal verplichtingen en rechten van de burgers regelt met betrekking tot nabuurschapsproblemen. Daarnaast omvat het Veldwetboek verplichtingen tegenover de overheid.
 
Gemeenschappelijke hagen of bomen dicht bij perceelsgrenzen geven soms stof tot discussies tussen buren. Wat mag en wat niet, mag kan je terugvinden in het Veldwetboek.

Hieronder vind je het artikel uit het Veldwetboek betreffende de afsluiting van en tussen eigendommen.

Veldwetboek Hoofdstuk 5: Afsluiting van eigendommen. Afstand voor beplantingen,...

HOOFDSTUK 5. (Afsluiting van eigendommen. Afstand voor beplantingen. Afbakening van landbouw en bosbouwzones.)

Art. 29. Iedere eigenaar mag zijn erf afsluiten overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.

Art. 30. Hij die tot afsluiting van zijn erf een niet gemene sloot wil graven, moet tussen die sloot en het naburig erf half zoveel afstand laten als de sloot diep is. Is het naburig erf een stuk bouwland of een hellend terrein, dan moet de afstand even groot zijn als de sloot diep is.
De sloten worden zo aangelegd dat zij een glooiing hebben aan de kant van de nabuur en de
afloop van het water niet belemmeren. Wanneer een levende haag tot afsluiting dient, moet zij, bij gebreke van een hiermee strijdig gebruik, op ten minste vijftig centimeter van de scheidingslijn staan. Iedere andere afsluiting mag op de uiterste grens van het eigendom worden geplaatst.

Art. 31. De eigenaar van een niet gemene levende haag of een niet gemene muur is gerechtigd, buiten de tijd dat de vruchten te velde staan, het erf van zijn nabuur te betreden om de haag te korten, te snoeien, het snoeisel te halen, de muur te herstellen of te onderhouden. Indien dit erf afgesloten is, moet overgang gevraagd worden aan de nabuur, die de plaats daarvoor naar keuze kan aanwijzen. In geval van weigering moet het erf betreden worden op de minst beschadigbare plaats en behoudens vergoeding van veroorzaakte schade.

Art. 32. Een haag tussen twee erven wordt geacht gemeen te zijn, hetzij slechts een ervan afgesloten is of tenzij het tegendeel blijkt uit een titel of een voldoende bezit.

Art. 33. Een gemene afsluiting moet op gemeenschappelijke kosten onderhouden worden; de nabuur kan zich aan die verplichting onttrekken door van de mandeligheid af te zien. Dit recht vervalt wanneer het een sloot betreft die niet alleen tot afsluiting dient.

Art. 34. Bomen die in een gemene haag staan, zijn eveneens gemeen; ook bomen op de scheidingslijn van beide erven worden geacht gemeen te zijn, tenzij het tegendeel blijkt uit een titel of een voldoende bezit; sterven die bomen af of worden zij gekapt of gerooid, dan worden zij bij helfte verdeeld; de vruchten worden op gemeenschappelijke kosten ingezameld en eveneens bij helfte verdeeld, onverschillig of zij afgevallen dan wel geplukt zijn. Iedere eigenaar heeft het recht te eisen dat de gemene bomen gerooid worden. De mede-eigenaar van een gemene haag mag die verwijderen tot aan de grens van zijn eigendom, onder verplichting om op die grens een muur te bouwen.

Art. 35. Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand geplant worden; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter, andere bomen en levende hagen slechts op een halve meter van de scheidingslijn tussen twee erven worden geplant. Fruitbomen van welke soort ook mogen als leibomen, aan elke kant van de muur tussen twee erven, geplant worden zonder dat een afstand in acht wordt genomen. Is die muur niet gemeen, dan heeft alleen de eigenaar het recht hem als steun voor zijn leibomen te gebruiken.

Art. 35bis.
§ 1. Wanneer ten minste de helft van de eigenaars of exploitanten die op het gebied van een gemeente gronden bezitten of in bedrijf hebben, er uit eigen beweging of op vraag van het college van burgemeester en schepenen om verzoeken, is de gemeenteraad gehouden binnen twaalf maanden de gedeelten van het gemeentelijk grondgebied af te bakenen, die in beginsel onderscheidenlijk voor landbouw en voor bosbouw worden bestemd. Het college moet die vraag stellen wanneer erom verzocht wordt door ten minste drie eigenaars of exploitanten die op het grondgebied van de gemeente samen ten minste tien hectaren bezitten of in bedrijf hebben. Het college draagt zorg dat de Rijkslandbouwkundig ingenieur en de Rijksingenieur van waters en bossen van het gebied worden geraadpleegd. Het afbakeningsplan wordt gedurende vijftien dagen aan eenieder ter inzage gelegd. De bezwaren en opmerkingen worden schriftelijk gemaakt, door het college in ontvangst genomen en bij het proces-verbaal gevoegd, dat wordt opgemaakt de dag na de sluiting van de terinzagelegging. De gemeenteraad is gehouden van de uitslag van de terinzagelegging kennis te nemen en, binnen een maand na de sluiting van het proces-verbaal, hetzij de bezwaren en opmerkingen af te wijzen, hetzij het met in achtneming ervan gewijzigde plan goed te keuren. Het besluit treedt in werking nadat het door de bestendige deputatie is goedgekeurd.

§ 2. Wanneer in de landelijke gemeenten ten zuiden van Samber en Maas en in de andere landelijke gemeenten van het land waarvan ten minste één tiende van het grondgebied bebost is, de gemeenteraad de afbakening van het gedeelte van het gemeentelijk grondgebied dat voor bosbouw bestemd wordt, niet heeft uitgevoerd binnen de bij de wet van 15 april 1965 bepaalde termijn, wordt zij ambtshalve gedaan door de arrondissementscommissaris, onder het gezag van de Minister van Landbouw. De arrondissementscommissaris wint vooraf het advies in van de Rijkslandbouwkundig
ingenieur en van de Rijksingenieur van waters en bossen van het gebied. Daarna zendt hij het ontwerp van afbakening aan de burgemeester, die het gedurende vijftien dagen ter inzage legt. Na verloop van die termijn zendt de burgemeester het ontwerp terug, samen met de schriftelijke bezwaren en opmerkingen die tijdens de terinzagelegging zijn ingekomen. in geval van betwisting omtrent het landelijk karakter van een gemeente beslist de bestendige deputatie van de provincieraad. De door de arrondissementscommissaris bepaalde afbakening wordt aan de bestendige deputatie voor goedkeuring voorgelegd.

§ 3. Er wordt op de bij § 2 bepaalde wijze gehandeld, telkens als een gemeenteraad in gebreke blijft de voorschriften van § 1, eerste en tweede lid, van dit artikel na te komen.

§ 4. Indien een plan van aanleg, opgemaakt ter uitvoering van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, bindende kracht heeft na het besluit tot afbakening van de onderscheidenlijk voor landbouw of voor bosbouw bestemde gedeelten, treedt het plan, voor zover het landbouw- en bosbouwzones vaststelt, volledig in de plaats van dit besluit.

§ 5. In de voor de landbouw bestemde gedeelten van het grondgebied is bosaanplanting verboden op minder dan zes meter van de scheidingslijn tussen twee erven; bovendien is vergunning van het college van burgemeester en schepenen vereist. Het college beslist binnen dertig dagen na de indiening van de aanvraag. Doet het dit niet binnen die termijn, dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn. De weigering van de vergunning is met redenen omkleed; binnen een maand na de kennisgeving kan beroep worden ingesteld bij de bestendige deputatie.
De bepalingen van het vorige lid zijn eveneens van toepassing op de voor bosbouw bestemde zone, langs de voor landbouw bestemde zone.

Art. 35ter. (opgeheven)

Art. 36. De nabuur kan de rooiing eisen van bomen, hagen, heesters en struiken die op een kortere afstand geplant zijn dan de wet bepaalt.

Art. 36bis. Op vordering van het college van burgemeester en schepenen of van iedere belanghebbende beveelt de rechtbank de rooiing van de aanplanting die met overtreding van artikel 35bis, § 5, van dit Wetboek is gedaan of behouden. Het vonnis beveelt dat, indien de rooiing niet binnen de gestelde tijd is geschied, de gemeente of de eiser voor de tenuitvoerlegging zullen zorgen op kosten en voor risico van de overtreder.

Art. 37. Degene over wiens eigendom takken van bomen van een nabuur hangen, kan de nabuur noodzaken die takken af te snijden. Vruchten die vanzelf op het eigendom van de nabuur vallen, behoren de nabuur toe. Degene op wiens erf wortels doorschieten, mag ze aldaar zelf weghakken. Het recht om de wortels te hakken of de takken te doen afsnijden verjaart niet.

Praktisch

Ruimtelijke ordening - Stedenbouw

Kaakstraat 2
2160 Wommelgem


Tel:  03-355 12 81
Fax:  03-353 40 26
ruimtelijkeordening@wommelgem.be

Openingsuren

Dag Openingsuren
Maandag   8.30 - 12.00 u.
     18 - 20 u.
Dinsdag   8.30 - 12.00 u.
Woensdag   8.30 - 12.00 u.
Donderdag   8.30 - 12.00 u.
Vrijdag   8.30 - 12.00 u.

Meer info